Wanneer ‘geven’ schade doet: een zendingsrealiteit
Een paar maanden geleden werd ik gebeld door een Poolse stichting. Ze vroegen of ik hun nieuwe geluidsapparatuur kon komen bekijken, want ze kregen het niet aan de praat. Prima, dacht ik, geen probleem, ik kom even langs.
Maar bij aankomst bleek het helemaal niet om nieuwe apparatuur te gaan, het waren tweedehands spullen die ze als gift hadden gekregen.
Binnen een uur kreeg ik een flashback naar een klus die ik in de jaren ’90 deed bij een zendingsorganisatie. Eén van mijn taken was spullen ophalen die we hadden gekregen. Dat kon van alles zijn: boeken, flip-overs, stoelen, auto’s noem maar op. Het was altijd een verrassing wat het was… maar vooral hoe het erbij stond.
Vaak, heel vaak, was er iets mis. Zo kregen we ook regelmatig auto’s (SUPER!), die ik dan moest ophalen:
“Hallo, ik kom de auto ophalen die we van jullie hebben gekregen.” Bonnetje ondertekenen om de auto over te schrijven, een ander bonnetje met de waarde die de gever had opgegeven zodat hij dat bedrag van de belasting kon aftrekken.
En dan rijden maar!
Tenminste… als ik onderweg naar de basis niet al aan de kant stond met pech. En dat gebeurde niet zelden. Versnellingsbakken die na een paar kilometer het begaven, motoren die niet (stationair) liepen, auto’s die zo stonken dat bleek dat er iemand in overleden was, remmen die het niet deden, banden glad als een aal…
Wat een verhalen hadden we elke keer. Als jong knulletje was het in het begin nog best wel leuk. Avonturen, mensen, avonturen!
De meeste auto’s reden we achteruit naar een veld, waar we ze in een diep gat duwden dat we met een bulldozer hadden gemaakt, en vervolgens in brand staken.
(Ander land, andere cultuur, andere tijden.)
Naar de sloop brengen kostte vaak nog meer geld, en dat geld was altijd schaars.
Ja, soms zaten er ook goede auto’s tussen (daar waren we eerlijk gezegd erg blij mee), maar te vaak waren ze al klaar voor “the pit”.
Dat het gat waarin we ze lieten verdwijnen de bijnaam “the pit” had, zegt eigenlijk alles: het was niet zelden in gebruik.

Alhoewel het avontuur in het begin zeker leuk was, was het na een paar keer wel klaar met het “plezier”. Je krijgt iets waarvan je denkt: dát kan ons écht helpen. En wat blijkt? Letterlijk afval op wielen. Te vaak hetzelfde drama.
En dan te bedenken dat dit gegeven werd door christenen, aan een zendingsorganisatie die werkt voor Gods glorie. Voel je die pijn, dat knijpen? Bij mij begon het toen al te knijpen, hoe jong ik ook was.
“Als jullie een blind dier om te offeren brengen, is dat dan niet slecht? En als jullie een kreupel of ziek dier brengen, is dat dan niet slecht? Breng dat maar aan je landvoogd, zou die er blij mee zijn, zou hij jullie gunstig gezind zijn? – zegt de HEER van de hemelse machten.” (Maleachi 1:8)
“Een zekere Ananias verkocht samen met zijn vrouw Saffira een stuk grond, maar hield, met medeweten van zijn vrouw, een deel van de opbrengst achter. Hij bracht alleen een deel en legde dat aan de voeten van de apostelen.” (Handelingen 5:1-2)
“(Petrus:) Je had het land mogen houden, en ook na de verkoop had je met de opbrengst kunnen doen wat je wilde. Waarom heb je je dan laten verleiden tot zo’n daad? Niet tegen mensen heb je gelogen, maar tegen God.” (Handelingen 5:4)
“Bij het horen van deze woorden viel Ananias neer en stierf. Allen die hiervan hoorden werden vervuld van grote vrees. De jonge mannen wikkelden hem in een doek, droegen hem weg en begroeven hem.” (Handelingen 5:5-6)
“Op hetzelfde moment viel ze [Saffira] voor zijn voeten neer en stierf. Toen de jonge mannen binnenkwamen, troffen ze haar dood aan; ze droegen haar weg en begroeven haar naast haar man.
Grote vrees beving de hele gemeente en allen die van deze gebeurtenissen hoorden.” (Handelingen 5:10-11)
En die klus in Polen, met die geluidsapparatuur? Het was exact zoals vroeger met de auto’s die we in “the pit” reden.
Zo’n 80% bleek simpelweg schroot. Waarschijnlijk buiten in de regen gestaan, en zoals je weet: elektronica houdt daar niet van. Zucht. De overige 20% hebben we dagenlang geprobeerd aan de praat te krijgen, maar zelfs dat bleek uiteindelijk te onbetrouwbaar voor serieus gebruik.
Had ik mezelf slechts 5 euro per uur gerekend, dan was het goedkoper geweest om gewoon iets nieuws te kopen van wat er nog bruikbaar overbleef.
En dan was er ook nog die berg afgedankte apparatuur die we moesten afvoeren naar een officiële stortplaats, tegen betaling, per kilo.
Maar weggooien? Dat durfden ze eerst niet. “We hebben het toch van God gekregen?”
En dan zie je het gebeuren: hun geloof krijgt op dat moment een klap. Twijfel, verwarring. Hoe moet je dáár dankbaar voor zijn?
Het was schrijnend om te zien hoe deze oprechte zendelingen, die dachten een zegen te ontvangen in de vorm van broodnodige apparatuur, verslagen stonden toe te kijken terwijl bijna alles linea recta de container in ging.
Gebroken. Verdrietig. Boos. Gedesillusioneerd. Noem het maar op.
Een enorme hoeveelheid tijd, energie en hoop gestoken in wat uiteindelijk letterlijk afval bleek te zijn. Tijd die we met elkaar zó veel beter hadden kunnen besteden. (Johannes 4:35 “De velden zijn wit om te oogsten.”)
En nee, dit is geen uitzonderlijk verhaal. Gelukkig hebben wij op ons eigen zendingsveld hier zelden last van, maar om ons heen, bij collega-zendelingen, zien we het keer op keer misgaan. Regelmatig worden wij gevraagd of we willen helpen. En elke keer denk ik: wat een triest drama.
Zendelingen durven er meestal niets van te zeggen. “We moeten toch dankbaar zijn,” klinkt het dan, of: “Als we er iets van zeggen, raken we misschien onze sponsors kwijt. Dan vinden ze ons ondankbaar.”
Maar ondertussen blijft de frustratie zich opstapelen. En als we niet oppassen, krijgt de zendeling er niet alleen praktische zorgen bij, maar ook een geestelijk conflict: hoe moet ik hiermee omgaan, zonder bitter te worden? Het vreet aan hun motivatie en geloofsvertrouwen en uiteindelijk komen ze bij ons terecht, op een retreat. Opgebrand, teleurgesteld en leeg.
Lange tijd hield ik ook dit soort dingen voor me. Maar eerlijk gezegd: daar ben ik nu (helaas) klaar mee.
Deze verhalen moeten gedeeld worden. Niet om mijn gelijk te halen, mijn mening mag iedereen gerust negeren,
maar omwille van de zendelingen die wij hier op retreat krijgen.
Hoe blij we ook zijn dat ze komen, het is eigenlijk te triest voor woorden waarom ze moeten komen. Want veel te vaak is het niet hun roeping die stukloopt… maar hun hoop, hun energie, hun vertrouwen, soms kapotgemaakt door dit soort “giften”.
En ja, God heeft hier ook een mening over. En dát echt een probleem. Een enorm probleem.
Ik snap het oprecht niet. Als we werkelijk begrijpen Wie de echte Ontvanger is van wat we geven..hoe zouden we het dan ooit in ons hoofd halen om zoiets durven te brengen?
“Eer de HEER met je bezit, met het beste van je oogst.” (Spreuken 3:9)
Laten we elkaar scherp houden op dit soort zaken. Laten we het gewoon eerlijk benoemen zoals het is, zonder omwegen, zonder mooie praatjes.
Niet voor mij. Maar voor de zendelingen die hierop stuklopen.
En vooral… voor wat we hiermee God aandoen.
(P.s. Herken je jezelf hierin? Is jou zoiets ook overkomen en loop je vast omdat je niet weet wat je ermee aan moet?
Voel je vrij om contact met ons op te nemen. Je staat er niet alleen voor.)
(Ps. De foto bij dit artikel is nagemaakt, want toen heb ik bewust geen foto’s gemaakt. Ik schaamde me kapot, omdat ik me plaatsvervangend schaamde voor wat we God aandoen door Hem dit soort rommel te durven geven.)



Dapper verhaal! En dit moet inderdaad gezegd kunnen worden…
Yep. En pas als het bespreekbaar is, kunnen we gezamenlijk werken aan de oplossing. Tot die tijd is het vinden van de oplossing geen eerlijke opdracht voor de zendeling.