Werken met vrijwilligers: waarom het zo vaak misgaat

Werken met vrijwilligers is soms het moeilijkste wat er is.

  • “We zijn toch allemaal broeders en zusters?”
  • “Je moet flexibel zijn in het Koninkrijk van God.”
  • “We moeten één zijn in Christus.”
  • “We moeten elkaar niet veroordelen.”

Als je actief bent in de kerk of zending, heb je deze uitspraken waarschijnlijk vaak gehoord. Misschien heb je ze zelfs zelf uitgesproken, met de beste bedoelingen. Maar voor veel voorgangers en zendingswerkers die bij ons op retraite komen, zijn dit geen woorden van bemoediging meer. Ze zijn een dekmantel geworden voor teleurstelling, frustratie en uiteindelijk uitputting. We horen het vaak bij de retreats en bij de debriefings die we organiseren. Veel te vaak. Het is een patroon geworden dat moet worden doorbroken en jij kunt daarbij helpen!

Wat gaat er mis bij veel vrijwilligerswerk?

In veel vrijwilligersteams ontstaat chaos doordat afspraken niet worden nagekomen, rollen vaag blijven, grenzen overschreden worden, en niemand elkaar aanspreekt. Problemen worden regelmatig vergoelijkt met vrome taal en consequenties voor het creëren van problemen zijn er te vaak niet (meer). Vrome taal is geen vervanging voor gezonde structuur. Sterker nog, het wordt vaak misbruikt als excuus om geen verantwoordelijkheid te nemen.

  • Vrijwilligers melden zich aan voor een activiteit, maar komen gewoon niet opdagen.
  • Verwachtingen veranderen voortdurend.
  • Je dacht dat je voor techniek kwam, maar op dag één sta je in het kinderwerk.
  • Leidinggevenden zeggen dat je je moet laten leiden, maar ondertussen is er gewoon geen plan.
  • De mantel der liefde is vervangen door een nevel van vrijblijvendheid.
  • En wie het (wel) volhoudt, brandt langzaam op van binnen.

Flexibiliteit is op zichzelf geen probleem. Integendeel. Wie in Gods Koninkrijk dient, weet dat je soms moet meebewegen. Maar flexibiliteit is geen vrijbrief om mensen buiten hun roeping in te zetten. God roept mensen persoonlijk en doelgericht. Dat vraagt van organisaties dat ze zorgvuldig omgaan met die roeping en van werkers dat ze die roeping zelf ook bewaken.

De Bijbel is hierin duidelijk. In 1 Korinthiërs 7:20 staat:

“Laat ieder blijven in de roeping waarin hij geroepen is.”

En in 1 Korinthiërs 12:18:

“Maar nu heeft God de leden, elk van hen afzonderlijk, in het lichaam een plaats gegeven zoals Hij gewild heeft.”

Een organisatie die deze roeping negeert, werkt tegen het lichaam van Christus in, ook als de bedoelingen goed zijn.

Daarom is het zo belangrijk dat de roeping besproken wordt voordat iemand het veld ingaat. Als deze gesprekken pas plaatsvinden als iemand al ter plaatse is, klopt er iets niet. Het is niet de taak van de zendingswerker om op het veld nog uit te vinden waar hij of zij voor geroepen is, idem voor de organisaties. Die helderheid hoort aan het begin te staan, voor je gaat en die moet ook ergens vastgelegd worden, zodat we gezamenlijk weten waaraan we werken. Kan dat niet? Denk dan nog eens HEEL goed na of je op dat pad verder moet gaan.

De primaire verantwoordelijkheid van de zendingsorganisatie, niet de medewerker.

Jij als medewerker kunt geen ongezond systeem oplossen. Jij bent verantwoordelijk voor je gehoorzaamheid aan God, niet voor het draaiend houden van een structuur die weigert te veranderen. Als je dat beseft, bescherm je jezelf tegen geestelijke uitputting en kun je met zuivere motivatie blijven dienen. 1 Petrus 5:2-3 zegt:

“Wees herders over de kudde van God… niet als heersers, maar als voorbeelden.”

Een organisatie hoort leiding te geven door dienstbaarheid, niet door druk. Het is hun taak om duidelijke communicatie te bieden, roeping te respecteren, aanspreekbaarheid te bevorderen en gezonde grenzen te bewaken. Spreuken 11:1 waarschuwt ons:

“Een valse weegschaal is voor de HEERE een gruwel, maar een volle gewicht is Zijn welbehagen.”

God vraagt rechtvaardigheid, ook in structuur en leiderschap.

Organisaties moeten eerlijk zijn over functies. Geen vrome beloften doen die niet waargemaakt kunnen worden. Ze moeten roeping respecteren, niet alleen handjes zoeken. Ze moeten aanspreekbaarheid inbouwen en gezonde grenzen stimuleren. Galaten 6:2 zegt:

“Draag zorg voor elkaar, en zo zult u de wet van Christus vervullen.”

Wat kun / moet jij als medewerker of vrijwilliger wel doen?

Allereerst: herken je grens. Je bent niet geroepen om gaten te vullen, maar om Gods stem te volgen. Kolossenzen 3:23 zegt:

“Wat u ook doet, doe het van harte, als voor de Heere en niet voor mensen.”

Ten tweede: spreek de waarheid in liefde. Dat betekent dat je eerlijk en respectvol mag zeggen als iets niet klopt. Efeze 4:15 moedigt ons aan:

“Spreek de waarheid in liefde.”

Ten derde: soms moet je loslaten. Als blijven betekent dat je roeping onder druk komt of je geestelijke gezondheid eraan onderdoor gaat, dan mag je weggaan. 1 Thessalonicenzen 5:24 zegt:

“Die u roept, is getrouw: Hij zal het ook doen.”

God zal jouw gehoorzaamheid nooit vragen ten koste van je gezondheid of roeping.

Het voortraject is cruciaal.

Veel van de ellende die we in het veld zien, ontstaat niet daar, maar in het voortraject. Daarom is het essentieel dat je als toekomstige werker goed voorbereid vertrekt. Niet alleen geestelijk, maar ook praktisch.

Bij onze retreats komen we te vaak tegen dat deze problemen niet vroeg genoeg worden besproken. Veel zendingswerkers lopen vast omdat ze niet helder hebben waar ze werkelijk voor geroepen zijn, of omdat ze met vage verwachtingen vertrokken zijn. Dit leidt tot frustratie, burn-out en het voortijdig stoppen met het werk.

Daarom is het belangrijk om:

  • Zeker te zijn van je roeping. Laat je niet leiden door alleen maar behoefte of vacaturedruk. Vraag God om duidelijkheid.
  • Eerlijk te zijn over je roeping en je gaven die je mee neemt naar de organisaties waarmee je in gesprek bent. Doe je niet mooier voor dan je bent, nergens voor nodig.
  • Open gesprekken te voeren met je thuisgemeente over je roeping. Wees helder over wat wel en niet in je roeping past.

Als je geen duidelijke roeping tot zending ervaart, maar je zoekt een zinvol tussenjaar of een manier om jezelf te ontwikkelen, wees daar dan eerlijk over. Dat is niet minderwaardig, maar het is wel iets anders. Je bent dan geen zendeling in de Bijbelse zin, maar een vrijwilliger die wil dienen op het zendingsveld, en dat is heel waardevol! Het lichaam van Christus heeft ook boekhouders, automonteurs en IT’ers nodig. Maar verwarring ontstaat wanneer een tijdelijke ervaring onterecht gepresenteerd wordt als een roeping. Dat schaadt het vertrouwen, maakt zending oppervlakkig en leidt mensen die geven of bidden voor jou mogelijk op een verkeerd spoor.

Een zendeling is iemand die door God en de gemeente wordt uitgezonden om het Evangelie te verkondigen, discipelen te maken en gemeenten te helpen opbouwen, vaak buiten zijn of haar eigen culturele context.

Een boekhouder, automonteur of IT’er die in een zendingsorganisatie werkt is dus niet(!) per definitie een zendeling. Iets om in de gaten te houden voor alle partijen. Wees dus eerlijk. Ook als dat betekent dat een kerk of organisatie ‘nee’ zegt tegen je plannen. Dat is geen afwijzing van jou als persoon, maar een eerlijke inschatting van je roeping op dit moment. Beter een duidelijk ‘nee’ dan een vaag ‘ja’ die later tot frustratie leidt voor jou en voor de mensen die je uitzenden en ondersteunen. Een tussenjaar is prima, maar noem het dan ook zo. God werkt ook daar doorheen, zonder dat je het hoeft te verpakken als iets wat het niet is.

De rol van de uitzendende kerk

De uitzendende kerk speelt een cruciale rol in het proces van voorbereiding en begeleiding. Zij hebben de verantwoordelijkheid om serieus te toetsen of iemand werkelijk een roeping heeft tot zending en niet gewoon een tussenjaar wil doen of een andere persoonlijke reden heeft om naar het veld te gaan.

Dit betekent dat de kerk niet zomaar iedereen die zich aandient moet uitzenden, maar zorgvuldig moet toetsen of er sprake is van een duidelijke, Bijbelse roeping. Er moet ruimte zijn voor open en eerlijk gesprek over motivatie, verwachtingen en praktische haalbaarheid.

De kerk moet ook duidelijk zijn naar de kandidaat en de organisatie over wat ze kunnen en willen faciliteren. Soms is iemand wel geschikt als vrijwilliger in een zendingsorganisatie, maar niet als zendeling met een duidelijke roeping tot evangelisatie. Dat moet helder worden uitgesproken. Anders ontstaan valse verwachtingen, frustraties en beschadigingen, zowel bij de werker als bij de achterban en de doelgroep.

De kerk draagt de verantwoordelijkheid om iemand vanaf het allereerste begin te begeleiden en te coachen, en dat niet alleen tot vertrek, maar juist ook na terugkomst. Zonder die zorg is de kans groot dat mensen vastlopen, teleurgesteld raken of zelfs gebroken achterblijven. Dit is een taak die je als kerk niet zomaar kunt uitbesteden, want het gaat om het bewaken van de roeping en de geestelijke gezondheid van je eigen mensen. Als je die verantwoordelijkheid doorschuift, verlies je automatisch grip en betrokkenheid. Hoe kun je dan nog zeggen dat je er echt bent voor degenen die je hebt uitgezonden? Mensen keren altijd terug, vaak met littekens die je als kerk niet kunt negeren. Dus als je zegt: “Dat was niet onze taak, dat was van de organisatie waar we het aan uitbesteed hebben,” dan ontken je je eigen rol in het geheel. Dat kan niet de bedoeling zijn. De kerk moet betrokken blijven, nabij zijn en zorgen voor een veilige plek waar iemand kan groeien, herstellen en op adem kan komen. Alleen zo voorkom je dat het uitzenden een eenmalige actie wordt in plaats van een zorgvuldig gedragen proces met oog voor mens en roeping.

De verantwoordelijkheid van de organisatie

Voor een organisatie is het belangrijk om niet zomaar mensen aan te nemen die niet duidelijk geroepen zijn om het evangelie te brengen. Iemand die als boekhouder, technicus of automonteur komt, is geen zendeling, tenzij dat heel bewust en met duidelijke afspraken anders is geregeld. Organisaties zijn er niet om zomaar vacatures te vullen met beschikbare handjes, maar om zorgvuldig te kijken of iemand daadwerkelijk geschikt is voor de functie. Beschikbaarheid mag nooit zwaarder wegen dan de vraag of iemand past binnen wat nodig is. Anders loop je het risico dat mensen met goede bedoelingen taken gaan doen waar ze niet voor zijn geroepen. Dat brengt vaak problemen met zich mee, zowel voor henzelf als voor de mensen met wie ze werken.

Daarnaast moeten organisaties streng zijn als medewerkers niet betrouwbaar zijn. Wie regelmatig niet komt opdagen, er maar wat bij doet of het meer ziet als een vakantie dan als serieus werk voor Gods koninkrijk, moet daarop worden aangesproken. Zonder consequenties voor dit gedrag valt het team uit elkaar. En juist degenen die je graag wilde behouden, haken dan het snelst af. Wil je een sterk en gezond team, dan kun je dit soort gedrag niet accepteren.

Ook is het essentieel dat organisaties open en duidelijk zijn over hoe de financiering geregeld is. Medewerkers moeten tijdens hun tijd bij de organisatie altijd kunnen zien hoe het financiële plaatje in elkaar steekt, en dat zelf kunnen controleren. Vaak is er nu onduidelijkheid of zelfs wantrouwen, alsof er iets niet klopt. Transparantie is nodig om vertrouwen te houden en te voorkomen dat mensen zich bedrogen voelen.

Kortom: goede afspraken, duidelijke functies, eerlijkheid over geld en het aanspreken op verantwoordelijk gedrag zijn onmisbaar. Organisaties die dit niet serieus nemen, brengen niet alleen hun vrijwilligers in gevaar, maar ook het zendingswerk zelf.

Tot slot

Herken je jezelf in dit verhaal? Voel je je gefrustreerd, moe of teleurgesteld in het vrijwilligerswerk of zendingswerk? Zoek dan hulp. Bij ons op de retreats zien we dat veel mensen hiermee worstelen. Vaak is het een opluchting om dit open en eerlijk te kunnen bespreken en te ervaren dat je daarin niet alleen staat.

Wees eerlijk tegenover jezelf, tegenover je kerk en tegenover de organisatie. Wees helder over je roeping en je grenzen. Durf te zeggen wat je aankunt en wat niet.

Zo voorkom je burn-out, teleurstelling en verlies van motivatie. Zo bouw je aan een gezonde bediening die God eert en mensen opbouwt.