In mijn eigen cocon

Hoe ziet je veilige plek er uit?
Ze herinnert zich een situatie van toen ze nog kind was. Ze sliep onrustig en werd vaak wakker. Haar vader hing een roze-witte laken boven haar bed. Muggen konden niet meer naar binnen komen, ze hoorde haar familie dicht bij, maar toch lag ze in haar eigen cocon. Een volledig gevoel van veiligheid.

Ze maakt hem na van papier.
Ze tekent twee grote harten en de tekens voor Vader-Zoon-Heilige Geest op de bovenkant. Ze vertelt dat God nu voor haar een deken is. In Hem, bij Hem is ze veilig.

Ze vertelt een concrete situatie waarin God haar beschermd heeft en waardoor ze wéét dat God altijd bij haar is.

De ene opening van haar veilige plek is gericht naar het raam: de natuur, buiten zijn, zonlicht zijn belangrijk voor haar, een plek om tot rust te komen. De andere opening is gericht naar anderen, dierbaren om haar heen.

Ze vertelt dat ze soms het gevoel heeft dat ze zichzelf kwijt raakt.
Maar door het maken van deze plek beseft ze waar ze zich op kan laden, waar ze tot zichzelf kan komen, waar ze kan kiezen of ze alleen wil zijn of samen met dierbaren, of ze binnen blijft of de natuur in trekt.
Ze is even stil gezet bij waar ze zichzelf ontmoet – in de nabijheid van God.